Over onderwijs en de Rode Duivels: waarom excellentie en gelijke kansen hand in hand gaan

Terwijl ik dit schrijf, zijn mijn echtgenoot en twee tieners naar de winkel voor mapjes, schriften en balpennen. Hun boekentassen staan klaar en samen met honderdduizenden andere kinderen en leerkrachten beginnen Juliette en Fons morgen aan een nieuw schooljaar – de ene met wat meer goesting dan de andere. Maar de goede intenties en de wil om er een boeiend jaar van te maken zijn er. Hetzelfde zie ik bij enkele van mijn vrienden die lesgeven. Eigenlijk zijn ze al een paar weken bezig met de voorbereidingen van het nieuwe jaar. Kleuterklassen zijn opgefrist, de lesvoorbereidingen zijn klaar en op heel wat plaatsen worden nieuwe, moderne schoolgebouwen in gebruik genomen. Mijn respect als moeder én als politica voor de mensen in het onderwijs is groot. Voor de meesten is lesgeven veel meer dan een job. Het is een roeping. Maar al te vaak wordt er over hun hoofden heen gepraat en lijkt het alsof niemand luistert.

Wie luistert in plaats van roept, krijgt antwoorden…

Precies om die reden ben ik het voorbije jaar op mijn persoonlijke ‘ronde van Vlaanderen’ tot in de klaslokalen gegaan. Ik heb er met directies, leerkrachten en leerlingen gesproken van alle netten, in verschillende onderwijsprojecten en met verschillende opvoedkundige visies. Onze vrijheid van onderwijs laat zoveel verschillende schakeringen toe dat er in het onderwijsaanbod voor ieder wat wils te vinden is. Maar tussen al die verschillende visies door, klonken de conclusies verbazend unisono.

Wat ik hier schrijf, heeft niet tot doel om allesomvattend te zijn. Waarschijnlijk zie ik dingen over het hoofd. En ongetwijfeld gaan ondanks mijn goede intenties, nuances en schakeringen verloren. Maar mijn respect voor de sector is oprecht. Mijn bekommernissen gaan over onze belangrijkste grondstof, namelijk de jonge mensen van dit fantastische land. Ik hoop dat mijn conclusies een hart onder de riem zijn van al wie met onderwijs bezig is. En dat ze een bijdrage leveren tot een constructief debat dat weg blijft van karikaturen of partijpolitiek.

Eén: Laat leerkrachten terug lesgeven. Opleiden is iets anders dan opvangen.

Het lijkt misschien simpel, maar de meest gehoorde opmerking – zeker van leerkrachten uit het basisonderwijs – is de simpele vraag om te mogen doen waar ze goed in zijn: lesgeven. Administratie, regelneverij en planlast lopen (ondanks verwoede pogingen om het tegendeel te bereiken) de spuigaten uit. Dat moet anders. Onderwijs kan alleen een motor zijn van sociale emancipatie als je er iets bijleert. Als je vaardigheden ontwikkelt die je thuis niet krijgt aangeleerd. Anders gezegd: op school “zitten” is niet genoeg. Naar school ga je om bij te leren. Alleen als kinderen iets bijleren, kunnen ze vooruit in het leven. Daar ligt de kerntaak van een leerkracht, maar door alle andere (nobele) doelstellingen, vergeten we dat wel eens. Te vaak wordt een leerkracht vandaag ook geacht een sociaal werker, verpleger, psycholoog en opvangouder te zijn. Tegelijk. We verwachten dat leerkrachten kunnen toveren. Dat ze én kunnen lesgeven én alle kinderen de zorg kunnen geven die ze elders niet krijgen. Dan kom je met 24 uur in een dag niet toe. De slinger is te ver doorgeslagen en pogingen om daaraan te remediëren blijven steken in achterhaalde discussies over netten en koepels. Plaats ouders mee voor de verantwoordelijkheid van de opvoeding van hun kinderen en haal ter ondersteuning meer gespecialiseerde hulp aan boord. Verschillende situaties vragen om een verschillende aanpak, zodat leerkrachten zich opnieuw kunnen focussen op lesgeven.

Twee: Open de poorten! Het is zonde om onze schoolgebouwen maar 8u per dag te gebruiken.

Er is de voorbije jaren veel geïnvesteerd in schoolgebouwen. En terecht. Als liberaal betaal ik graag belastingen om te kunnen investeren in onderwijs. De centrale taak is lesgeven, maar wat is het zonde om de gebouwen en infrastructuur slechts acht uur per dag te gebruiken. Scholen moeten plaatsen zijn waar kinderen en jongeren zich voor, tussen en na schooltijd kunnen ontplooien, waar ze minstens één keer per dag een warme maaltijd kunnen krijgen, waar ze kunnen kennismaken met kunst en cultuur, waar ze samen kunnen sporten, huiswerk maken en leren studeren. Steeds meer zie je dat scholen zich ‘openen’, al gebeurt de samenwerking nog te weinig over de netten heen. A’REA 2020, een project van schepen Marinower in Antwerpen is een prachtig voorbeeld. Maar ook in landelijk Vlaanderen, ging ik op bezoek bij scholen waar leerkrachten tijdens de middagpauze leerden programmeren, waar een lokaal na schooltijd een filmclub werd of waar sportverenigingen tot in de school kwamen om kinderen te laten sporten. Als het kapitaal waarover schoolbesturen beschikken niet meer en beter in het algemeen belang wordt ingezet, moeten we misschien een duwtje geven.

Drie: Geef het onderwijs haar taal terug. Een stevige taalbeheersing vormt de basis van onze samenleving.

De manier waarop we in Vlaanderen zowel met onze eigen taal als met vreemde talen omgaan, is door de jaren heen totaal verkrampt en scheefgegroeid. Hand in eigen boezem: dat is de schuld van de politiek. Als er één thema is dat de politiek dringend moet ‘teruggeven’ aan het onderwijs, dan is het wel de nood aan fatsoenlijke taalbeheersing.

Een te krampachtige en defensieve nadruk op het Nederlands heeft ervoor gezorgd dat onze haast legendarische voorsprong op het vlak van vreemde talen nagenoeg is verdwenen. Omgekeerd én tegelijk is door een onbegrijpelijk cultuurrelativisme ook de basiskennis van het Nederlands zienderogen achteruit gegaan. Dat blijkt niet alleen uit onderzoek, dat hoor en zie je ook op het terrein. Nederlands is onze onderwijstaal en dus is een grondige kennis van het Nederlands absoluut noodzakelijk. Wetenschappers zoals Wouter Duyck hebben 100% gelijk als ze zeggen dat er in het lager onderwijs een ramp bezig is. Steeds meer leerlingen verlaten het basisonderwijs zonder fatsoenlijk Nederlands te kunnen lezen of schrijven. Zinsontleding en grammatica behoren niet meer tot de verplichte leerstof. Hoe begin je aan lessen Frans als je nauwelijks het verschil kent tussen een lijdend voorwerp en een gezegde? Hoe leer je Duits of Latijn als je niet snapt wanneer je een accusatief moet gebruiken? En hoe begrijp je de opdrachten van wiskunde of natuurkunde als je niet in staat bent om uit een opgave de essentie te halen? De achteruitgang in het onderwijs in het algemeen is onlosmakelijk verbonden met een achteruitgang van onze kennis van taal. En ook de samenleving betaalt die prijs, want om samen te leven, moet je kunnen communiceren. De lat moet omhoog en dat betekent dat het noodzakelijk is om ook theoretische leerstof te verwerken. Ook al is dat soms saai of moeilijk.

Tegelijk zouden we beter meer immersie en vreemde talen toelaten, liefst zo snel mogelijk. In het secundair onderwijs zijn er verschillende proefprojecten met sterke resultaten. Deze legislatuur hebben we het mogelijk gemaakt om ook in de lagere scholen Frans, Engels en Duits te geven. Een belangrijke stap vooruit, maar onderdompeling kan helaas nog steeds niet. Weg met die angst. Laat de meertaligheid van de jongste generatie Belgen maar komen. Nederlands spreken én vreemde talen beheersen gaat hand in hand.

Stop de schijntegenstellingen. Wij kunnen wereldkampioen worden.

Drie conclusies zijn natuurlijk te weinig om het hele onderwijsterrein te omvatten. Ook de lerarenopleiding, het statuut van leerkracht, de inschrijvingsregels en nog tal van andere punten zijn belangrijk. Onderwijs is een onderwerp waar je niet over uitgepraat geraakt. Maar wat de tientallen praktijkbezoeken en honderden gesprekken me geleerd hebben, is dat alvast over deze drie onderwerpen grote consensus bestaat op het terrein. Het zijn drie praktische punten, die we vandaag met gezond verstand kunnen vastpakken. Maar samen overstijgen ze de schijnbare grote, ideologische tegenstelling met aan de ene kant een pleidooi voor gelijke kansen, en aan de andere kant de roep om de lat hoger te leggen. Dat is een foute tegenstelling. Wat hebben we eraan de lat hoger te leggen, als de helft niet kan meedoen? En omgekeerd. Wat hebben we eraan wanneer iedereen kan volgen, maar we nergens naartoe gaan? Meer én beter, dat is de opdracht.

Kansen geven en excellentie vragen, gaan hand in hand. En er is geen enkele reden waarom we een van beide doelstellingen zouden moeten kiezen. Het vraagt inspanning en creativiteit om gelijke kansen te combineren met ambitie. Maar het is precies dat wat we nodig hebben. En we hebben een grote groep gemotiveerde leerkrachten om ons te leiden. We kunnen het ons niet permitteren om talent te laten liggen. We hebben élk talent nodig.

Er is niks mis met elk kind uit te dagen om de beste mogelijke versie van hem of haar te zijn. Ieder op zijn of haar eigen manier. Ieder met een eigen talent of troef. Zolang de lat maar hoog ligt. In de sport bewijzen we dat het kan. Deze zomer begon met een generatie Rode Duivels die met zelfzekerheid, ambitie en hoogstaand voetbal ei zo na wereldkampioen werd. Spelers zonder complexen, allemaal met een verschillende achtergrond die hun plaats verdienden omdat ze goed zijn in wat ze doen en hetzelfde doel voor ogen hadden. Laat vanaf morgen het onderwijs wat meer Rode Duivel zijn. Focus op de kernopdracht en leg de lat hoog. Geef mogelijkheden aan iedereen en zorg dat we met elkaar communiceren zodat we vooruit geraken. Alleen zo worden we wereldkampioen.

Geen reactie's

Geef een reactie