Toespraak in de Senaat: Is de huidige politiestructuur nog levensvatbaar?

30 jaar. Zo oud – of zo jong, dat is maar hoe je het bekijkt – is de wet op het politieambt.

En dus zijn we hier vandaag samen om te vieren.

30 jaar.

Dat is zo’n moment waarop je van jezelf vindt dat je het tot dan toe in het leven best wel ok hebt gedaan.

Maar het is ook het moment waarop je vooruit blikt, in de spiegel kijkt en ziet wat er anders moet.

Dat is exact wat deze academische zitting voor ogen heeft :

Een korte terugblik en een kritische blik vooruit op het ambt en de structuur van de politie.

 

De organisatie heeft voor deze oefening een bijzonder dag gekozen.

Het is vandaag 7 december, de verjaardag van de Wet op de Geïntegreerde Politie.

7 december is een symbolische dag.

Het is de dag waarop we in het hele land alle overleden politieagenten herdenken.

Aan de politiekantoren hangen de vlaggen halfstok.

In de lokale politiezones loeien de sirenes.

Aan het graf van de onbekende soldaat nemen we een minuut stilte.

We dragen alle mannen en vrouwen die voor onze veiligheid en bescherming hun leven gaven, in ons hart.

Ook dit jaar werd de lijst met gesneuvelde agenten opnieuw langer.

De onrechtvaardige dood van Thomas M. maakte opnieuw duidelijk hoe gevaarlijk de situaties kunnen zijn waarin onze politie moet werken. Het is essentieel dat we geweld tegen politie aanpakken. We mogen dit nooit blauw-blauw laten, niet wegkijken of de schouders ophalen…

We moeten allemáál beseffen dat agenten – en bij uitbreiding alle veiligheidsmensen – hun leven voor ons riskeren.

De politie beschermt ons en dus is het onze taak om de politie te beschermen.

Onder meer daarom is een goed wettelijk kader zo belangrijk.

Alleen met goede afspraken garanderen we onze wederzijdse veiligheid.

Met de Wet op het Politieambt werd de opdracht van de politie in één referentiekader gegoten.

Dat komt in feite hier op neer:

De bevolking geeft een deel van haar vrijheid af aan de politie.

De politie zorgt in ruil daarvoor voor een veilige omgeving waarin alle mensen hun rechten en vrijheden kunnen uitoefenen. Om het maatschappelijk leven ordentelijk te laten verlopen en haar opdrachten goed te kunnen doen, kreeg de politie van de bevolking een wettelijk omkaderd monopolie op het gebruik van dwang en geweld.

Politieagenten dienen de democratische gemeenschap. Ze voeren uit, het zijn uitvoeringsorganen onder het gezag en de verantwoordelijkheid van democratisch verkozen overheden. Ze opereren niet op eigen houtje en zijn geen privé-dienst van staatshoofden, regeringsleiders en neen, uiteraard ook niet van burgemeesters.

In dat ogenschijnlijk eenvoudige pact, zitten een aantal zeer belangrijke basisprincipes, verankerd in artikel 1 van de wet op het politieambt.

Waarom hebben we politiediensten?

Om onze individuele rechten en vrijheden te beschermen.

En om bij te dragen tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij.

Dat is de essentie. Dat is de kern.

De democratie beschermen en bijdragen tot haar ontwikkeling.

Zorgen dat individuen hun rechten en vrijheden kunnen uitoefenen.

Deze visie was in 1992 bijzonder innovatief, zeker op een moment dat de demilitarisering van de toenmalige rijkswacht nog moest beginnen.

Ze plaatste de politie in het hart van de democratie.

Dat is nog steeds bijzonder actueel en dat mogen we nooit vergeten.

Politie staat niet tegenover de mensen.

Politie is er dankzij de bevolking en de politie is er voor de bevolking.

En dus verdient ze ook het respect van de bevolking.

De kern van de Wet op het politieambt zit dus na 30 jaar nog steeds goed.

De principes zijn ijzersterk, al blijft het wel belangrijk dat we als samenleving het basispact in ere houden.

 

Met de wet op het politieambt was het werk niet af. Er volgde door de jaren heen nog verschillende aanpassingen.

Er werd een comité P opgericht, in de schoot van het parlement, zodat de wetgevende macht de werking van de politiediensten kan controleren.

Het duurde helaas nog té lang (zes jaar) – en er was een nationale crisis met in de hoofdrol een ontsnapte Dutroux nodig –voordat ook de politieorganisatie op orde werd gezet.

De principes om informatie te delen en samen te werken stonden al in de Wet op het Politieambt gebeiteld, maar de structuren verhinderden dat in de praktijk.

De visie was er, maar de uitvoering haperde.

Daarom kwam er in 1998 een geïntegreerde politie met nog maar twee niveaus: een federale – Belgische – structuur en de lokale politiezones.

 

Als we terugkijken op de afgelopen 30 jaar, is de balans van deze twee cruciale hervormingen (de wet op het politieambt en de wet op de geïntegreerde politie) zeker positief.

Van vijandigheid en onderlinge concurrentie tussen de verschillende politiediensten is vandaag zo goed als niets meer te merken

Er is de plicht én de wil om informatie te delen in één nationale databank; al blijft informatiedeling een permanent aandachtspunt – ik kom daar zo dadelijk op terug.

In de wisselwerking tussen de politie enerzijds en de uitvoerende macht (de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie), de rechterlijke macht (de procureurs) en de wetgevende macht (de raden en het parlement) anderzijds spelen de nodige checks and balances. De vrees voor een politiestaat – we moeten ons voor die gedachte naar de jaren ’80 en vroege jaren ’90 van de vorige eeuw begeven – bleek onterecht.

Er is dus goed werk geleverd.

Maar de resultaten van het verleden zijn helaas geen garantie voor paraatheid in de toekomst.

Zijn beide wetten uit de jaren ‘90 nog wel het antwoord op de uitdagingen in de 21ste eeuw?

We zitten ondertussen in de roaring twenties – en ik stamp een open deur in – maar er is op 30 jaar ontzettend veel veranderd.

Ik neem u even mee, back to the future.

 

Op 3 december 1990 werd de allereerste sms verstuurd.

Dat korte bericht – ‘Merry Christmas’ – was het begin van een complete omwenteling in de manier waarop mensen met elkaar communiceerden.

In augustus 1991, een klein jaar later, kwam de allereerste website online.

Het wereldwijde web werd rond de wereld gespannen en vandaag is zo goed als iedereen overal digitaal met elkaar verbonden. Communicatie apps maakten zogenaamde ‘sociale’ netwerken. Vandaag bekijken we dat alvast met meer nuance.

Digitalisering is de eerste, grote verandering die we de afgelopen 30 jaar hebben meegemaakt.

 

In 1992, op 7 februari werd het verdrag van Maastricht ondertekend. De Europese Unie was een feit.

Er kwamen nieuwe vormen van Europese samenwerking, ook op het vlak van Justitie en Binnenlandse Zaken.

We kregen langzaam maar zeker één interne markt, met vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal. Er kwam één munt. Door de Schengenakkoorden werden de binnengrenzen afgeschaft.

Europa werd ons binnenland, het buitenland bestond alleen nog daarbuiten.

En ook die wereld werd steeds kleiner en platter.

Er werd geïnternationaliseerd en geglobaliseerd.

Grenzen gingen open, muren kwamen neer en de wereldhandel nam toe.

Handelsakkoorden zorgden voor meer openheid en meer interactie.

Mensen werden mobieler dan ooit tevoren: fysiek en digitaal.

Europa had geen binnengrenzen meer, maar was tegelijk blijkbaar vergeten dat ze misschien nog wel buitengrenzen nodig had.

In deze 21ste eeuw zijn alle grote problemen globaal of internationaal.

Migratie botst tegen de grenzen en vindt de gaten.

Klimaat stopt niet aan de grenzen.

Terrorisme bedreigt alle samenlevingen, van buitenaf en van binnenin.

Cybercrime is het nieuwe normaal.

Globalisering en internationalisering. Het is de tweede grote verandering die we de afgelopen 30 jaar hebben meegemaakt.

In 1992 verscheen het boek “Het einde van de geschiedenis en de laatste mens” van Francis Fukuyama.

Het boek droeg de overtuiging uit dat de liberale democratie de strijd tegen het communisme had gewonnen. De tijd waarin de wereld in twee ideologische kampen was opgedeeld, was voorbij. De vrijheid had gewonnen.

Dat denken heeft mijn jongvolwassen leven getekend.

Ik geloofde – ja ik hoopte zelfs- dat de democratie en ideeën als individuele rechten en vrijheden zich als een olievlek over de hele wereld zouden verspreiden. Als mensen de smaak van de vrijheid zouden proeven, zouden ze die nooit meer willen loslaten. Vrijheid en vrijhandel zouden vrede met zich meebrengen, dat dachten we toen.

En toen kwam 9/11.

11 september 2001 was zo een van die dagen waarvan iedereen die vandaag ouder is dan 40 zich nog herinnert waar hij of zij was.

In New York waren twee vliegtuigen in de torens van het World Trade Center gevlogen.

Het was het begin van het einde van een periode van zorgenloosheid en optimisme en openheid.

Het was pijnlijk ontwaken in het nieuwe millennium. Ook voor mij. Zeker voor mij, dat geef ik toe. Ik was en ik ben nog steeds een voorvechter van openheid, maar openheid en naïviteit gaan niet samen. Veiligheid is en blijft cruciaal en staat als waarde evenwaardig naast vrijheid.

Vrijheid en veiligheid horen samen.

Het ene bestaat niet zonder het andere.

En als het evenwicht te veel naar de ene of naar de andere kant helt, loopt het fout.

Beiden liggen vandaag onder vuur.

Aanslagen in Londen, Parijs en in maart 2016 ook de aanslag hier bij ons, in Zaventem.

Eerst was er oorlog aan de Europese buitengrens in Syrië.

Vandaag is er oorlog in Oekraïne, op Europees grondgebied.

Zogenaamde ‘sterke’ leiders nemen het heft in handen.

Ze creëren hun eigen waarheid en sluiten de wereld.

Ze nemen de absolute macht en zijn niet van plan ze te delen.

Chaos is hun beste vriend.

Als de feiten hun niet aanstaan, liegen ze zich een nieuwe realiteit bij elkaar.

Ze teren op angst en verwarring en maken de democratie kapot.

Dus ja: onze veiligheid en onze vrijheid staan op het spel.

 

Ik neem u mee terug naar de kern naar mijn betoog.

Naar de reden van deze bijeenkomst.

Naar de essentie van de wet op het politieambt:

Naar het pact tussen de bevolking en de politie.

Naar de opdracht van de politie om de individuele rechten en vrijheden te beschermen en bij te dragen tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij.

Kan de politie vandaag die kerntaak nog vervullen nu de omstandigheden zo anders zijn dan 30 jaar geleden?

De basis van de Wet op het Politieambt zit volgens mij nog steeds juist.

De opdracht klopt en het is belangrijk dat we dat blijven verdedigen en uitdragen.

Maar zijn de structuren nog geschikt voor deze veranderde wereld?

Het antwoord is neen.

De politie is niet voldoende gewapend om een antwoord te geven op de grote uitdagingen van vandaag.

Als we willen dat de politie onze rechten en vrijheden verdedigt en bijdraagt tot de democratisering van de samenleving, is er een aanpassing van de organisatie nodig.

 

Ik geef drie elementen als aanzet tot hervorming.

Ze zijn niet exhaustief. Ongetwijfeld volgen er nog heel wat aanvullingen.

Ze zijn ook niet te nemen of te laten. Ik heb de waarheid niet in pacht, ik spreek uit mijn ervaring als nationaal politicus en – nog meer – als burgemeester en hoofd van een lokale politiezone. Andere suggesties en oplossingen van collega’s en mensen uit het veld zijn meer dan welkom.

Ik vat die van mij als volgt samen:

meer samenwerking, meer middelen en anders gaan werken.

Ik begin met meer samenwerking.

Er is nog meer internationale en Europese samenwerking nodig.

Veiligheidsdiensten moeten binnen de Europese Unie en tussen internationale bondgenoten snel en accuraat informatie kunnen uitwisselen. Criminelen kennen geen grenzen.

Zij werken internationaal, wij werken nationaal.

Zij zijn één netwerk zijn en wij zijn een lappendeken van landen die nog te veel naast elkaar werken.

Internationaal of Europees denken en samenwerken is trouwens niet alleen een zaak van de federale politie.

De internationale criminaliteit slaat rechtstreeks toe bij de lokale besturen.

Het heeft impact op onze steden, gemeenten en dorpen.

En dus ook op de werking van de lokale politie. Toen 30 jaar – of 24 jaar geleden – de nieuwe politiestructuren gemaakt werden, opereerde een politiezone binnen het Belgische grondgebied.

Samenwerken binnen een land van meer dan 30.000 vierkante kilometer, met 11,6 miljoen inwoners; dat hebben we de voorbije 30 jaar met vallen en opstaan geleerd.

Maar vandaag werken de lokale politiezones in een open Europese Unie van meer dan 4 miljoen vierkante kilometer, met meer dan 447 miljoen inwoners.

Dat is een beetje als een vis die eerst in een aquarium zwom en plots in de zee wordt losgelaten.

De luchthaven van Zaventem is meer een Europese luchthaven dan een national airport. Een luchtverbinding met de hele wereld.

De Antwerpse haven is een Europese haven, een globale toegangspoort tot Europa.

Wij doen alsof de luchthaven en de zeehaven Antwerpen/Zeebrugge nog steeds nationaal – of moeilijker nog – lokaal te beschermen zijn. Dat kan gewoonweg niet.

Drugshandel is een internationaal criminaliteitsfenomeen.

Drugs vertrekken in Colombia en komen aan via de dokken, maar ze eindigen in onze straten, pleinen en dorpen.

De drugsproblematiek dringt door tot in de lokale politiezones.

Van alle lokale politieoproepen en -dossiers zoals intrafamiliaal geweld, schooluitval, vechtpartijen, diefstallen en ongevallen … is tot 90% verweven met een drugsproblematiek. Wij zetten daar in onze politiezone consequent op in met preventie en – veel (wie mijn korpschef Bart Van Thienen kent, weet: héél veel) drugs- en drankcontroles.

Maar laten we eerlijk zijn met elkaar: we krijgen dat probleem niet onder controle. Niet in Antwerpen, en ook niet in de rest van het land.

We moeten een antwoord vinden op internationale fenomenen. Verder en meer doorgedreven samenwerken, op alle niveaus. Niet hiërarchisch maar in vlakkere structuren, in verbinding met elkaar, niet op eilanden.

Ook de band tussen burgemeester en lokale politie moet een samenwerkingsverband zijn. Soms zien burgemeesters zichzelf als ‘baas’ van de politie. Ik kies ervoor om een partner te zijn. Grote lijnen zetten we samen. Over geld maken we duidelijke afspraken. Zo kozen we ervoor om de ‘besparingen’ die de politie zelf kon realiseren, integraal te laten terugkeren naar de politie. Ze plaatsten zonnepanelen op het dak van het politiekantoor en de energiewinst werd opnieuw geïnvesteerd in de zone. Vaak is ook bestuurlijk handhaven het sluitstuk van de samenwerking. Als louche uitbatingen een dekmantel zijn voor criminele activiteiten, wordt een controle op brandveiligheid, vergunningenregister, drankuitbating… ingezet om de zaak tijdelijk te sluiten. We spelen kort op de bal en laten weten dat we aanwezig zijn. Juist is juist en wat we zelf kunnen doen, daar moeten we het parket niet verder mee belasten.

Ook binnen andere lokale diensten zien we dat eiland-fenomeen nog te vaak.

Onderwijsverstrekkers, OCMW-medewerkers, jeugd- en vrijetijdsdiensten… hebben vaak een goed en ander zicht op problemen van mensen. Zij zien de eerste signalen van radicalisering. Met hun ervaringen kunnen we ingrijpen voor het te laat is. Wie geen goed thuis-, school-, en vrijetijdsvangnet heeft, is vaak een vogel voor de kat. Door op een respectvolle manier samen te werken en informatie te delen binnen het LIVC, boeken we betere resultaten dan wanneer we elk op ons eiland blijven zitten.

Ik wil u in dit verband een anekdote vertellen:

Mijn korps overtuigde me om meer in te zetten op dierenwelzijn.

Toen ik die vraag eerst kreeg, dacht ik – dat geef ik toe – hebben we onze handen al niet vol met mensenleed?

Ze toonden me aan dat wanneer mensen hun dieren verwaarlozen, er meestal een grote onderliggende problematiek is die anders achter de gevels verborgen blijft. Eenzaamheid, maar ook criminaliteit, verwaarlozing, drugmisbruik en intrafamiliaal geweld komen zo op de radar. Op die manier kunnen we echt het verschil maken. Wat begint bij een dier – dat op zichzelf natuurlijk ook geholpen moet worden, maakt uiteindelijk het verschil in een kinderleven. Die ‘zorgzame’ rol om ook achter de gevels te kijken, was 30 jaar geleden niet voorzien, maar is naar mijn ervaring vandaag cruciaal.

Vanuit mijn lokale ervaring is een samenwerken, een netwerkend politiemodel, de toekomst.

Mijn tweede suggestie is een oeroude, maar terechte roep om meer middelen.

Wie veiligheid wil, moet in veiligheid investeren.

De situatie bij de federale politie is vandaag dramatisch.

Dat moet echt anders.

Ik weet en begrijp dat de kas van de federale staat leeg is.

De situatie is zo ernstig, dat kerntaken zoals veiligheid in het gedrang komen.

Voor de werking van haar eigen bevoegdheden – sociale zekerheid uitgezonderd – heeft de federale overheid vandaag minder middelen dan de gemeenschappen en de gewesten.

Het antwoord is niet eenvoudig.

Ofwel worden federale kerntaken zoals justitie, defensie en politie structureel beter gefinancierd.

Ofwel is een verdere regionalisering het antwoord. In dat geval bestaat er geen federale politie meer, maar komt er een gewestelijke politie in de plaats, gefinancierd met gewestelijke middelen.

Dat is de keuze waar we voor staan.

Ik wil vandaag geen communautaire discussies uitlokken, maar een ding is zeker: op deze manier kan het niet verder.

Ook voor heel wat lokale politiezones is onderfinanciering een probleem, al is het beeld daar wat meer diffuus. Er bestaan heel wat verschillen tussen grote en kleine, landelijke of stedelijke politiezones.

Feit is dat het vandaag voor kleine politiezones onmogelijk geworden is om alle taken die men aan de politiezones oplegt, te kunnen uitvoeren. Het personeelskader is gewoon te klein om de minimumnorm met zeven basisfunctionaliteiten te halen. (Bovendien hoort er volgens mij trouwens nog een achtste basisfunctionaliteit bij, met name de jeugd- en sociale dienst. Lokale politiemensen en burgemeesters weten welke miserie er achter de gevels schuilt. Als je die miserie jong krijgt opgelost, zijn mensen misschien nog niet verloren.) Aan referentiepersonen voor scholen, voor racismebestrijding, omgaan met de pers of cybercrime komen de meeste kleinere of landelijke zones helemaal niet toe. Ook de interne controleposten zoals intern toezicht of gegevensbescherming schieten er meestal bij in.

Er bestaat in de lokale politiezones dus een situatie op papier, met een basisaanbod en extra taken die politiemensen vervullen.

Maar de realiteit is anders. Het papier is fictie. In werkelijkheid is er een tekort aan agenten en personeel en in veel gevallen ook een tekort aan investeringen.

In het geval van de federale politie is een bijkomende financiering een conditio sine qua non.

In het geval van de lokale politie, staat er ook een organisatorische vraag tegenover: als de structuren te klein zijn, moeten ze dan niet fusioneren?

Het antwoord is ja. Fusies kunnen helpen, maar alleen als ze logisch zijn en niet op abstracte of louter politieke tekentafels worden gemaakt.

Idealiter vallen grotere politiezones ook samen met grotere gemeenten. Het is niet logisch dat die organisaties los staan van elkaar en dat politiezones federaal en gemeentefusies regionaal georganiseerd worden. Beter zou zijn om beiden op elkaar af te stemmen.

In plaats van een lappendeken van samenwerkingen, zou er zo meer coherentie moeten komen. Dat maakt het geheel eenvoudiger, beter werkbaar en beter leesbaar voor de burger.

Keep it simpel, bespaar op de eigen werking en investeer de vrijgekomen middelen opnieuw in veiligheid.

Ik pleit voor meer en betere samenwerking, maar dat wil niet zeggen dat ik alleen nog grootsteden of megafusies wil in Vlaanderen.

Integendeel. Ik ben van mening dat hoe groter de problemen worden, hoe meer dichtbij we de oplossing moeten zoeken.

In de anonieme, geglobaliseerde wereld zijn nabijheid en betrokkenheid troeven. Ook voor de lokale politie die de mensen en de buurten kent.

Afstand creëert leegte, zorgt voor miscommunicatie. Voor ongenoegen en onbegrip.

Het komt er dus op aan het optimale evenwicht te vinden tussen professionalisering en nabijheid.

De maatstaf die we in Vlaanderen hebben gekozen om vaccinatiecentra te organiseren, lijkt me daarbij bijvoorbeeld een goeie indicator.

 

Mijn derde suggestie is anders gaan werken.

Dat is geen geitenwollensokken-oplossing, maar bittere noodzaak.

Politie moet de digitale tijd intreden. Er zijn heel veel goeie voorbeelden, maar een globale aanpak ontbreekt. De federale regie is te stroef en te log. Lokale politiezones zijn van goede wil, maar blijven zonder bescherming achter. In de werkelijke wereld willen graag goed beveiligd zijn, maar in de digitale wereld laten we niet alleen de achterdeur, maar zelfs de voordeur van de politiekantoren wagenwijd open staan.

De politie moet haar opdrachten ook in de online wereld kunnen vervullen. Elk jaar groeit het aanbod aan digitale tools in het dagelijks leven, groeit de digitale buit van cyberdiefstallen, groeit de grootte van op te slagen data in onderzoeken, groeit het aantal te monitoren sociale mediakanalen in het kader van openbare ordehandhaving, … Heel de samenleving digitaliseert en de politie mag niet achterblijven. Dat betekent niet alleen de middelen krijgen om cybercrime aan te pakken, het betekent ook opleiding, omscholing en bijscholing van lokale agenten en personeel.

Anders gaan werken en ook anders gaan recruteren is het antwoord op de ‘war on talent’ in een geglobaliseerde werkruimte. Het politiekorps zal steeds diverser worden omdat de samenleving divers is. Die evolutie is onomkeerbaar. Hoe sneller we ze omarmen, hoe beter we er van worden.

Anders gaan werken wil ook zeggen dat we afstappen van een levenslange carrière bij de politie. Dat is vandaag nog steeds de norm. Je wordt in België nog steeds politiemedewerker voor het leven. Mensen maken zelden de overstap naar en/of terugkeer van andere sectoren naar politie; laat staan van en naar buitenlandse diensten of bedrijven. Dat kan anders en beter.

 

Een van de oorzaken is dat de politieopleiding nog steeds geen erkende Europese bachelor-opleiding is, waarmee je ook in andere sectoren of in andere landen aan de slag kan – zoals dat bijvoorbeeld wel voor de opleiding Verpleegkunde het geval is. Een erkende, Europese bacheloropleiding zou de kennis en ervaringen bij de politie verrijken. Het kan ook een antwoord zijn op de eindeloopbaan-problematiek en terechte vragen in verband met verloning.

Een betere opleiding, meer rotatie, meer uitwisseling… Dit zou finaal ook het pact tussen burger en politie ten goede komen.

Anders gaan werken zorgt voor meer verbinding en minder polarisatie.

Jobrotatie is misschien niet voor iedereen weggelegd, maar door samen te werken met en in andere sectoren, worden politiemensen weer medeburgers. Omgekeerd wordt veiligheid zo een taak waar meerdere mensen op een bepaald moment in hun leven aan meewerken. Misschien keert ook het respect voor de job dan weer.

En zo is de cirkel rond.

Mijn betoog eindigt op deze bijzondere dag, waarin we overleden politiemensen eren, precies waar ik begonnen ben : met een pleidooi voor meer respect en wederzijds begrip.

Met een herontdekking en een herwaardering van het pact tussen burgers en politie.

Het is de sleutelwaarde om de taken van de politie ook de komende 30 jaar met succes te vervullen.

Ik kijk uit naar uw suggesties en reacties,

dank u.

 

Gwendolyn Rutten

7 december 2022