Waarom ik achter de aanpassing van de abortuswet sta

In de Verenigde Staten van Amerika kan je er niet om heen: pleitbezorgers van de antiabortusbeweging schreeuwen op straten en pleinen de longen uit hun lijf. Promowagens die rondrijden om hun boodschap te ondersteunen zijn beplakt met afschuwelijke foto’s van foetussen. Dat doet je slikken. Er is echt geen mens die onbewogen blijft bij de beelden die de tegenstanders van abortus verspreiden. Dat is dan ook precies de bedoeling. Hoe groter en hoe gruwelijker het beeldmateriaal, hoe meer impact de conservatieven beogen met hun verzet.

Tot voor kort werd het debat hier in ons land op een ander, hoger niveau gevoerd. Zonder verwijten en misbruik van beelden en associaties. Maar die tijd lijkt voorbij. Op sociale media en andere fora worden voorstanders van een aanpassing van de abortusregeling om de oren geslaan met beelden en verwijten die het debat wegtrekken van de essentie. Wij kunnen beter. Precies daarom vind ik het nodig om, in ijzersterke Europese verlichtingstraditie, de rede te laten spreken bij het opstellen van wetgeving. Ook als het om abortuswetgeving gaat.

Dat is moeilijker dan het lijkt omdat de werkwijze van conservatieven inspeelt op onze emoties en de associaties die ons brein maakt bij het zien van gruwelijke beelden. In de rest van de wereld kent men deze technieken als de ‘Yuck-factor’. Yuck, zoals in ‘over zoiets wil ik niet eens nadenken.’ Pas wanneer we wél een inspanning doen om door te denken, zijn we in staat de misleiding van de beelden te overstijgen. Het is immers niet omdat een vrucht er begint uit te zien als een voldragen baby – vanaf het moment dat menselijke trekken herkenbaar zijn noemen we die vrucht een foetus – dat de vrucht ook levensvatbaar is. De wetenschappelijke consensus is duidelijk. Een foetus is pas vanaf 24 weken zwangerschap levensvatbaar buiten de baarmoeder van de moeder. Aangezien de wetenschap en de geneeskunde steeds grenzen blijven verleggen, is er in extreme gevallen sprake van levensvatbaarheid vanaf 22 weken. Precies omwille van die gevoelige grens en de vooruitgang in de wetenschap vind ik zelf dat een wetgeving voor zwangerschapsonderbreking best een marge houdt ten aanzien van de geldende wetenschappelijke consensus over levensvatbaarheid. De vraag is dan hoe groot die marge is?

Voor sommigen is er geen marge. Zij vinden zwangerschapsonderbreking op élk moment onaanvaardbaar. Er zijn geen wetenschappelijke argumenten die deze stelling onderbouwen. Vaak zijn de argumenten levensbeschouwelijk of religieus van aard, maar het is eerbaar om die stelling voor jezelf in te nemen. De aanname dat het ongeboren leven primeert boven de wil van de moeder, is trouwens wereldwijd verspreid. En ook al respecteer ik dat standpunt, ik ben toch blij en fier dat België hier niet meegaat in de aanname van het overgrote deel van de wereld. Voor jezelf beslissen dat abortus niet (nooit) kan is één ding, die zienswijze opleggen aan alle andere mensen is nog iets anders. Daar situeert zich precies de delicatie lijn van respect die we hier gevonden hebben : je hebt recht op je eigen standpunt, maar je verhindert een ander niet om anders te denken en te handelen. Het is binnen dat kader dat we ethische wetgeving maken: vrij van dwang zodat iedereen in eer en geweten kan handelen, zeker eens de wetgeving er is, maar ook bij het tot standkomen ervan.

De abortuswetgeving die vrouwen het recht geeft om hun leven in handen te nemen, is de verdienste van de liberale politica Lucienne Herman-Michielsens. Het was een compromis waarmee 30 jaar geleden de rede het won van de emotie. Een wettelijk kader waarmee vrouwen het recht kregen om over hun eigen lichaam te beslissen. Tot 12 weken. Met uitzondering van conservatief-religieuzen, betwist vandaag niemand meer niemand dat vrouwen die een vrucht dragen tot 12 weken zelf kunnen beslissen om de zwangerschap te beëindigen. Nochtans zijn er al vanaf de achtste week van de zwangerschap gelijkenissen met menselijke stadium te herkennen – dat is het moment waarop we een embroyo een foetus beginnen te noemen. Puur wetenschappelijk is er in de periode tussen 12 en 18 weken geen onderscheid te maken qua levensvatbaarheid. Dat is ook de reden waarom andere landen, zoals Nederland en het Verenigd Koninkrijk, nog heel wat verder gaan dan het voorstel dat in ons land op tafel ligt.

Uiteraard wordt de foetus fysiek groter, maar een foetus van 12 weken is even weinig levensvatbaar als een foetus van 16 of 18 weken. Alvast op dat vlak kunnen geen argumenten gevonden worden om zwanegrschapsonderbreking te verbieden tussen 12 en 24 weken. Er zijn in het voorstel tot 18 weken nog zeker vier weken extra nodig om in extreme en uiterst moeilijke omstandigheden in de buurt te komen van levensvatbaarheid. Ook al spreekt het beeld van een ongeboren foetus met menselijke kenmerken onze moeder- en ouderinstincten aan en appelleert het aan de ‘yuck-factor’, de rede leert ons anders.

Natuurlijk heeft een meer ver gevorderde zwangerschap meer impact, zowel op de vrouw als op de arts. Maar ook dat argument is niet voldoende om een zwangerschapsonderbreking te verbieden. Integendeel : het gebeurt vandaag al, legaal – indien er medische redenen voor zijn. Wie denkt dat vrouwen of artsen lichtzinnig met dit soort beslissingen omgaan, vergist zich en pretendeert zich in de plaats van de vrouw of arts in kwestie te zetten. Dat is dus eerder een geprojecteerde angst dan een bewezen feit. Het gaat om het leven en het lichaam van elke individuele vrouw – en het is dus aan haar om de beslissing te nemen, vrij van dwang in welke richting ook. Het is natuurlijk even essentieel dat artsen vrij kunnen handelen van dwang. Dat ze kunnen weigeren om dergelijke zware ingreep te doen. Niet elke arts zal trouwens tot de ingreep willen of kunnen overgaan. Daar is specialisatie voor nodig, maar ook die bestaat. De afwezigheid van druk of dwang geldt ook omgekeerd: artsen die in eer en geweten wél beslissen om tot een ingreep over te gaan binnen de grenzen van de wetgeving, verdienen de duidelijkheid om niet gestraft te worden. Het strafrecht voorziet vervolging voor situaties buiten het medische kader. Als artsen buiten het kader van medische handelingen treden, zijn ze zowiezo strafbaar. Dat is voor alle medische handelingen zo. Omgekeerd valt er iets voor te zeggen om de lijn van 18 weken duidelijk te omkaderen door een zwnagerschapsafbreking buiten die termijn, expliciet strafbaar te stellen. Dat kan de benadering die respect heeft voor het moment waarop een foetus levensvatbaar wordt, benadrukken.
Het is mijn inziens dus wel een legitieme discussie over het feit of men ofwel het algemeen strafrecht laat gelden, dan wel specifieke bepalingen voorziet voor wie als arts buiten het wettelijke kader gaat. Beide regelingen hebben voor- en nadelen, dat hebben we gezien in het euthanasieproces, en daar valt over te praten, maar het lijkt me niet de kern van het voorstel te zijn. In elk geval zou het eerst moeten duidelijk zijn of toenadering op dat vlak tussen partijen iets wijzigt aan hun houding over de meer fundamentele bepalingen van dit voorstel.

Het inkorten van de bedenktermijn raakt al meer aan de essentie. Een bedenktermijn heeft voor- en nadelen. Voordeel kan zijn dat er openlijk een weloverwogen inschattingsproces loopt. Dat kan vermijden dat mensen onder dwang handelen bijvoorbeeld. Vanuit een patnernalistische houding dient een wachttermijn om geen ‘overhaaste’ beslissingen te nemen. Ik ben het daar niet mee eens, maar – opnieuw – ik kan begrip opbrengen voor die situaties waarin de wachttermijn toch een verschil kan maken. Meestal zijn dit echter bijzonder stresserende en onnodige momenten van wachten, omdat het besluitvormingsproces vooraf gaat aan de stap om tot de behandeling over te gaan. Vrouwen op dit punt lichtzinnigheid verwijten is, simpel gezegd : lichtzinnig. Bovendien tikt de tijd. Niet iedereen weet vanaf het allereerste moment dat ze zwanger is. Het inkorten van de bedenktijd lijkt met dus wel degelijk aan de orde.

Maar de echte kern van de noodzaak om de abortuswetgeving aan te passen, is het optrekken van de termijn van 12 weken. Hoeveel bijkomende marge geven we aan vrouwen anno 2020? Uit de praktijk en uit de hoorzittingen met experten blijkt dat er nood is om de termijn op te trekken. Wie zich echt wil verdiepen, kan er de hoorzittingen met de experten uit 2018 op nalezen. Want in tegenstelling met wat de tegenstanders erg leugenachtig beweren, is er over dit thema lang en veel gedebatteerd en nagedacht. Wetenschappelijk is er geen bezwaar en uit de feiten blijkt dat er een wettelijk en sociaal kader om ook boven 12 weken tot zwangerschapsonderbreking over te gaan wenselijk is. Vandaag laten we die vrouwen in de kou staan. Het gaat om kwetsbare vrouwen die we aan hun lot overlaten. In het beste geval is dat lot een trip naar Nederland. Zolang de Nederlanders wél regelen waar wij om heen dansen, kunnen we ons geweten sussen. ‘Wij doen dat hier niet, ga maar de grens over.’ Aan zo een hypocrisie wil ik niet meewerken. Als we vrouwen hier kunnen helpen, dan kunnen we hen desgewenst ook de sociale en psychologische begeleiding geven waar ze recht op hebben. Misschien kunnen we met een uitbreiding van de wet het abortuscijfer zelfs nog verlagen. Want een land met een goede abortuswet is ook een land met weinig zwangerschapsafbrekingen.

De vraag die mensen zich moeten stellen is niet of ze zelf tot abortus zouden kunnen overgaan tot een termijn van 18 weken. De vraag is ook niet wat je denkt van vrouwen die dat wel doen. De vraag is of je het kan toelaten voor een ander die in die situatie zit. Of we kunnen erkennen dat er wetenschappelijk geen reden is om dit wél toe te laten tot 12 weken, maar niet tot 16 of 18. Als dat antwoord helder is, zorg dan dat er een wettelijk kader is dat vrouwen in die situatie helpt in plaats van negeert. Ik sta achter de noodzakelijke aanpassingen van de abortuswet. Ook al ligt het thema gevoelig. Ook al vinden sommige mensen dat er andere prioriteiten zijn. Dat argument is verschrikkelijk belegen en werd in het verleden altijd gebruikt om zelfbeschikking tegen te houden. Er is voor de tegenstanders waarschijnlijk nooit een geschikt moment. Daarom, in naam van de tolerantie en de zelfbeschikking : maak deze aanpassing mogelijk.

Gwendolyn Rutten

Gepubliceerd in De Morgen op 14 juli 2020.

Tags:
,